Het Utrechts Archief Het Utrechts Archief

Uw zoekacties: Aartsbisschoppen van Utrecht
x86-1 Aartsbisschoppen van Utrecht
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

86-1 Aartsbisschoppen van Utrecht
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

beacon
 
 
Inleiding
Achtergronden van de scheuring van 1723
Aanleidingen tot de scheuring
86-1 Aartsbisschoppen van Utrecht
Inleiding
Aanleidingen tot de scheuring
In de Hollandse zending waren de twee controversen: gallicanisme of het streven naar een nationale kerk versus ultramontanisme, en jansenisme versus anti-jansenisme met elkaar vermengd geraakt, als gevolg waarvan de partijstrijd tussen seculieren en regulieren steeds heftiger was geworden. De seculiere clerus, opgeleid aan de colleges Hoge Heuvel en Pulcheria te Leuven, was daar in aanraking gekomen en sympathiseerde deels met de ideeën van Jansenius, Quesnel en anderen, of werd daarvan beschuldigd door de regulieren. De reguliere clerus steunde vóór alles de paus en verketterde ieder die hem niet blindelings gehoorzaamde.
Het verscherpte klimaat bleek in 1688 na de dood van apostolisch vicaris Johannes van Neercassel. Aangezien de oorspronkelijke kandidaat voor de opvolging, de kerkhistoricus Hugo van Heussen, in Rome verdacht werd van gallicaanse sympathieën, werd uiteindelijk de Utrechtse pastoor Petrus Codde benoemd. In 1689 werd hij gewijd tot aartsbisschop van Sebaste.
Vanaf de benoeming regende het klachten en beschuldigingen van reguliere zijde aan het adres van Codde en de seculiere geestelijkheid, klachten die uiteindelijk werden gebundeld in het Breve Memoriale van de jezuiet Doucin. Daarin werden Codde en de zijnen beschuldigd van 'jansenistische ketterijen' zoals aansporingen tot het lezen van de bijbel door de gelovigen, te weinig eerbied voor aflaten, relieken en heiligenbeelden, en te grote gestrengheid in de biecht. Wat Doucin en zijn medestanders in werkelijkheid het meest stak, was niet de 'ketterse inslag' van de nederlandse seculieren, maar het feit, dat zij een bepaalde onafhankelijkheid van Rome hadden bewaard * 
In 1698 zond Codde, diep verontwaardigd over het Memoriale, een exemplaar naar Rome, met het verzoek een onderzoek in te stellen, het jaar daarop gevolgd door een Responsio ad Breve Memoriale *  Het resultaat was, dat hij naar Rome werd ontboden om zich voor een spe-ciale commissie te verantwoorden. Ook gelastte het pauselijk hof dat de Leidse pastoor Theodorus de Cock, die in 1694 een memorie met beschuldigingen tegen Codde en zijn medestanders naar Rome had gezonden, tot provicaris ad interim benoemd moest worden. Codde weigerde dit laatste en benoemde in plaats daarvan twee leden van het vicariaat, Van Heussen en Cats * 
Te Rome aangekomen verdedigde hij zich schriftelijk in een Declaratio (1701), die echter weinig effect sorteerde. Veel meer invloed had het bezwaarschrift van 23 priesters uit de Hollandse zending met klachten over Codde, waarschijnlijk opgesteld door De Cock, eveneens uit 1701. Coddes Responsiones hierop, medeondertekend door 303 geestelijken uit de Hollandse zending, nog in hetzelfde jaar aan de Propaganda voorgelegd, konden daar weinig aan veranderen. In mei 1702 werd Codde tenslotte de vraag voorgelegd, of hij bereid was het Formulier van Alexander VII onvoorwaardelijk te ondertekenen. Na zijn weigering dit te doen werd hij tijdens een plenaire zitting van de Propaganda op 7 mei 1702 geschorst en werd De Cock in zijn plaats benoemd. Het nieuws van de schorsing van Codde en de benoeming van De Cock werd wel onmiddellijk doorgegeven aan de Brusselse internuntius en aan De Cock, maar niet aan Codde zelf, die het uit Holland moest vernemen * 
Met de schorsing van Codde en de benoeming van De Cock ging Rome voorbij aan het tot dan toe meestal gerespecteerde voordrachtsrecht van het vicariaat van Utrecht, zodat onder de katholieken in de Republiek een geweldige deining ontstond. De leden van het vicariaat, dat zich nu 'metropolitaan kapittel van Utrecht' ging noemen, verklaarden De Cock niet te zullen erkennen en riepen de hulp van de Staten van Holland in. De Staten wilden voorkomen dat de paus, die zij beschouwden als een buitenlandse mogendheid, zich via de benoeming van een vicaris zou gaan mengen in binnenlandse aangelegenheden. Zeker waren er ook afgevaardigden die maar al te graag het vuur van de onderlinge twist onder de katholieken opstookten. Op 17 augustus 1702 werd een plakkaat uitgevaardigd, waarin werd verordend, dat de benoeming van een nieuwe apostolisch vicaris voortaan door de Staten en 'de clerus' (bedoeld werd de leden van het kapittel van Utrecht) moest worden goedgekeurd volgens de gewoonten 'in deze landen gebruikelijk'; dat het De Cock, die in strijd met deze gewoonten was benoemd, verboden was jurisdictie uit te oefenen; dat niemand de bevelen van de Brusselse internuntius mocht opvolgen, en dat regulieren zich niet meer in de Republiek mochten vestigen * 
In 1703 keerde de geschorste Codde terug naar de Republiek, nadat de Staten van Holland dat hadden afgedwongen onder de dreiging, alle jezuieten uit Holland te zullen verbannen. Codde zou zijn ambt echter niet meer uitoefenen, noch zou hij in het vervolg nog enige rol van betekenis spelen in het verzet tegen de pauselijke politiek. Behalve Van Erckel, Van Heussen en andere leden van het Utrechtse kapittel werden in deze periode de franse vluchtelingen Quesnel, Fouillou en Petitpied, bijgestaan door Zeger Bernard van Espen, hoogleraar in het kerkelijk recht te Leuven, de leidende figuren van dit verzet. In deze kring, die nu 'de Cleresie' werd genoemd, gingen stemmen op, die verklaarden dat de kapittels van Utrecht en Haarlem sede vacante het recht hadden de kerkelijke jurisdictie uit te oefenen. In februari 1703 verklaarde paus Clemens XI de rechtsmacht van deze kapittels ongeldig en verbood hen op straffe van excommunicatie die uit te oefenen. Het Haarlemse kapittel staakte daarop zijn activiteit, maar dat van Utrecht was onverzettelijk * 
Door de tegenstand van de Staten was De Cock tenslotte in 1704 genoodzaakt om de Republiek te verlaten. In 1709 verbood de paus alle katholieken de kerken van de met de Cleresie verbonden geestelijken te bezoeken *  In feite werd het gedeelte van de Hollandse zending, dat trouw was aan de paus (en dat waren verreweg de meeste nederlandse katholieken) in deze jaren rechtstreeks bestuurd door de internuntius te Brussel.
Op 18 december 1710 overleed Petrus Codde, zonder zich met de paus te hebben verzoend. Het kapittel van Utrecht bleef de jurisdictie sede vacante uitoefenen over de hen nog trouwe gelovigen. Het gemis van een eigen bisschop werd echter voelbaar: het was moeilijk om een (buitenlandse) bisschop te vinden die priesters wilde wijden, om aan gewijde olie te komen, en om het vormsel toe te dienen. Soms verrichtten franse, met de jansenisten sympathiserende bisschoppen deze functies, waardoor de banden met hen nauwer werden aangehaald. Zo sloten de Utrechtenaren zich in 1719 aan bij het appèl op een algemeen concilie van verschillende franse bisschoppen tegen de bul 'Unigenitus'. Vanaf dat jaar ook verbleef de geschorste franse missiebisschop Dominicus Maria Varlet in Nederland. In hem vond de Cleresie de onmisbare figuur die haar priesters, later haar bisschoppen, wilde wijden en zo haar voortbestaan in de eerste tijd na het schisma kon garanderen * 
In juli 1722 werd tijdens een bijeenkomst, waar naast kapittel-deken Van Erckel, kanunnik Willem Frederik van Dalennoort en de pastoors Jacob Krijs, Franciscus Meganck en Nicolaas Broedersen, ook bisschop Varlet en de franse dominicaan Thierry de Viaixnes aanwezig waren, een brief aan paus Innocentius XIII opgesteld, waarin het recht van het kapittel van Utrecht om een eigen bisschop te kiezen werd uiteengezet. Een antwoord uit Rome op deze brief bleef uit. Men hakte nu de knoop door: ook wanneer de nieuw gekozen aartsbisschop geen confirmatio uit Rome zou krijgen, zou men hem handhaven. Desnoods zou men hem door één bisschop in plaats van door de eigenlijk benodigde drie bisschoppen laten wijden * 
De eigenlijke scheuring, 1723-1725
De Kerk van Utrecht 1723-1795
Franse tijd en Koninkrijk der Nederlanden tot 1889
De oud-katholieke kerk van Nederland, 1889-heden
Organisatie van het aartsbisdom; positie en taken van de aartsbisschop
De archieven
De (her)inventarisatie
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bewerkingsgeschiedenis
Bijlagen
1. Lijst van aartsbisschoppen van Utrecht over 1723-1937
2. Lijst van bisschoppen van Haarlem over 1727-1945
3. Lijst van bisschoppen van Deventer over 1758-1959
4. Lijst van in de inventaris voorkomende pseudonymen
5. Concordantie op J. Bruggeman, Inventaris van de archieven bij het metropolitaan kapittel van Utrecht van de roomsch-katholieke kerk der oud-bisschoppelijke clerezie ('s-Gravenhage, 1928), en Supplement op de inventaris van de archieven bij het metropolitaan kapittel van Utrecht van de rooms-katholieke kerk der oudbisschoppelijke clerezie (onuitgegeven manuscript, 's-Gravenhage, 1944)
Erfgoedstuk
Erfgoedstuk
Kenmerken
Datering:
1723-1937
Toegangstitel:
Inventaris van het archief van de aartsbisschoppen van Utrecht van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland 1723-1937
Auteur:
M.L. Loef
Datering toegang:
1993
Datering bewerking:
2013
Openbaarheid:
Volledig openbaar
Rechtstitel:
Opneming in beheer van een particulier, niet in eigendom verkregen
Omvang:
9,84 m oude verpakking
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS