Na de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 werden op 1 januari 1811 door de Franse overheid naar Frans model Kamers opgericht in Amsterdam, Emden en Rotterdam. Later kwamen daar nog enkele steden bij. Deze kamers waren staatsinstellingen die uitsluitend ten dienste stonden van de centrale overheid. Zij adviseerden die overheid op het gebied van de handel en de nijverheid en hielden toezicht op openbare werken ten dienste van de handel en op de uitvoering van de decreten inzake de contrabande * . Begin 1814 - de Franse overheersing was inmiddels ten einde - waren er Kamers in Amsterdam, Dordrecht, Maastricht, Middelburg, Rotterdam, Vaals en Vlissingen.
In 1851 kwam een nieuw reglement voor de Kamers tot stand dat in 1852 van kracht werd en dat zeventig jaar bleef. Hierbij werd de mogelijkheid geschapen Kamers op te richten voor meer dan één gemeente. De Kamers mochten voortaan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen aan de centrale, provinciale en gemeentelijke overheid. Tevens waren zij gerechtigd gegevens te verstrekken aan handelaren en fabrikanten, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van genoemde overheden. De Kamers werden ook belast met het afgeven van certificaten van oorsprong voor de plaatselijke handel, die nodig waren voor de handel met het buitenland.
De leden der Kamers werden nu gekozen door en uit de plaatselijke fabrikanten en kooplieden.
In 1922 vond een grondige reorganisatie plaats, als gevolg van de op 15 maart 1921 van kracht geworden nieuwe Wet op de Kamers van Koophandel. Hierbij werd het lokale systeem vervangen door een regionaal gerichte organisatie. Het land werd verdeeld in 36 regio's met in iedere regio één Kamer. Niet meer op initiatief van de gemeenteraad maar bij wet werden de nieuwe Kamers ingesteld. De Kamers bleven adviesinstanties voor de overheid, maar hun belangrijkste taak kwam nu te liggen op het uitvoerende, begeleidende en voorlichtende vlak. Aanvankelijk was het opzetten en bijhouden van het handelsregister (zie hierna) waarin alle ondernemingen worden ingeschreven, hun enige uitvoerende taak. Elke kamer hield en houdt dit bij voor haar eigen regio. De Kamers kregen ook de bevoegdheid instellingen ten dienste van handel en nijverheid op te richten zoals handelsbeurzen en onderwijsinstellingen. In de loop der jaren delegeerde de overheid steeds meer overheidstaken aan de Kamers, bijvoorbeeld op het gebied van de handelsnamenwet, de winkelsluitingswet, het vestigingsbeleid en het horecawezen.
Het aantal kamers werd in 1942, ten tijde van de Duitse bezetting, verminderd tot elf, één per provincie. De overige bestaande Kamers werden hieraan ondergeschikte kantoren. Op 1 januari 1951 werd deze regeling teruggedraaid zodat er weer 36 volwaardige Kamers waren.
De armoede was in die jaren groot in Amersfoort en pas in de jaren zeventig van de negentiende eeuw begon de bedrijvigheid te groeien, mede veroorzaakt door de totstandkoming van de Oosterspoorweg, die Amersfoort verbond met Amsterdam en Zutphen.
Tegelijkertijd met de nieuwe wet op de Kamers van Koophandel trad ook de Handelsregisterwet in 1922 in werking. Ook in Amersfoort werd er een handelsregister ingevoerd, waar kort na de oprichting 1578 ondernemingen waren ingeschreven. De regio-indeling werd ook sterk gewijzigd en de Amersfoortse Kamer van Koophandel kreeg als naam “Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de Gelderse Vallei”. Het verzorgingsgebied bestond uit 24 gemeenten, te weten Amerongen, Amersfoort, Barneveld, Doorn, Driebergen, Ede, Ermelo, Harderwijk, Hoevelaken, Hoogland, Langbroek, Leersum, Leusden, Maarn, Nijkerk, Putten, Renswoude, Rhenen, Rijsenburg, Scherpenzeel, Soest, Stoutenburg, Veenendaal en Woudenberg. De drie bestaande Kamers van Koophandel van Amersfoort, Harderwijk en Nijkerk werden opgeheven.
Na de bevrijding bleef de uit 1942 daterende indeling nog enige tijd bestaan. Eerst in 1951 trad een nieuwe wet op de Kamers van Koophandel in werking, waarbij opnieuw 36 kamers werden ingesteld, zij het met een wat andere, meer provinciaal gerichte gebiedsindeling dan van voor de oorlog.
Vanaf deze nieuwe wet was er geen sprake meer van de Kamer van Koophandel voor de Gelderse Vallei, maar van de Kamer van Koophandel Amersfoort en omstreken. Vanaf 1976 werd het de Kamer van Koophandel voor Eemland (Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Renswoude, Soest en Woudenberg).
1842-1922 (Kamer van Koophandel en Fabrieken Amersfoort):
de stad Amersfoort;
1922-1942 (Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de Geldersche Vallei):
Amerongen, Amersfoort, Barneveld, Doorn, Driebergen, Ede, Ermelo, Harderwijk, Hoevelaken, Hoogland, Langbroek, Leersum, Leusden, Maarn, Nijkerk, Putten, Renswoude, Rhenen, Rijsenburg, Scherpenzeel, Soest, Stoutenburg, Veenendaal en Woudenberg;
1942-1951 (Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht, (bij)kantoor Amersfoort):
provincie Utrecht;
1951-1976 (Kamer van Koophandel voor Amersfoort en omgeving):
Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Hoogland, Leusden, Renswoude en Stoutenburg;
vanaf 1976 (Kamer van Koophandel Eemland):
Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Hoogland, Leusden, Renswoude, Soest en Woudenberg.
Mijn Studiezaal (inloggen)



Creative Commons (CC BY 4.0)