346 Kamer van Koophandel te Amersfoort
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
Inleiding
Geschiedenis
346 Kamer van Koophandel te Amersfoort
Inleiding
Geschiedenis
De geschiedenis van de huidige Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland begint bij de invoering van de Franse administratie hier te lande in 1811. Het idee om de belangen van het bedrijfsleven te laten behartigen door een instelling was echter niet nieuw. Al in de tweede helft van de zeventiende eeuw was in Amsterdam en Rotterdam gedurende enkele jaren een 'collegie van commercie' actief. In 1795, na de afschaffing van de gilden, werden door de stadsbesturen van Rotterdam, Amsterdam en Dordrecht en in 1798 ook door dat van Schiedam zogenaamde committés betreffende de handel opgericht. In 1803 werden de committés van Rotterdam vervangen door één 'kamer van koophandel, zeevaart en fabrieken', terwijl de committés van Amsterdam ophielden te bestaan. In Dordrecht en Schiedam bleven Kamers van Koophandel functioneren. In 1804 werden in Maastricht, Vaals en Venlo, als uitvloeisel van de invoering van het Franse bestuur (Limburg was toen al ingelijfd bij Frankrijk) zogenaamde 'chambres consultatives de manufactures, fabriques, arts et métiers' ingesteld.
Na de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 werden op 1 januari 1811 door de Franse overheid naar Frans model Kamers opgericht in Amsterdam, Emden en Rotterdam. Later kwamen daar nog enkele steden bij. Deze kamers waren staatsinstellingen die uitsluitend ten dienste stonden van de centrale overheid. Zij adviseerden die overheid op het gebied van de handel en de nijverheid en hielden toezicht op openbare werken ten dienste van de handel en op de uitvoering van de decreten inzake de contrabande *  . Begin 1814 - de Franse overheersing was inmiddels ten einde - waren er Kamers in Amsterdam, Dordrecht, Maastricht, Middelburg, Rotterdam, Vaals en Vlissingen.
Eind 1815 werd de Franse regeling vervangen door een Nederlandse. Elk gemeentebestuur was voortaan gerechtigd de koning te verzoeken binnen zijn gemeente een Kamer in te stellen. De taak van de Kamers werd louter adviserend. Zij moesten, als vertegenwoordigers van de plaatselijke handel en nijverheid, in deze zaken de overheid op verzoek van advies dienen. Aanvankelijk golden deze adviezen uitsluitend de gemeentelijke en centrale overheid (Departement en Raad van Koophandel en Koloniën), sedert 1828 ook de provinciale overheid. De leden van de Kamers werden benoemd door de Koning.
In 1851 kwam een nieuw reglement voor de Kamers tot stand dat in 1852 van kracht werd en dat zeventig jaar bleef. Hierbij werd de mogelijkheid geschapen Kamers op te richten voor meer dan één gemeente. De Kamers mochten voortaan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen aan de centrale, provinciale en gemeentelijke overheid. Tevens waren zij gerechtigd gegevens te verstrekken aan handelaren en fabrikanten, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van genoemde overheden. De Kamers werden ook belast met het afgeven van certificaten van oorsprong voor de plaatselijke handel, die nodig waren voor de handel met het buitenland.
De leden der Kamers werden nu gekozen door en uit de plaatselijke fabrikanten en kooplieden.
Het aantal Kamers was intussen stormachtig gegroeid. Bedroeg het aantal in 1851 nog 29, rond de eeuwwisseling was het al toegenomen tot 75 en in 1922 tot 97.
In 1922 vond een grondige reorganisatie plaats, als gevolg van de op 15 maart 1921 van kracht geworden nieuwe Wet op de Kamers van Koophandel. Hierbij werd het lokale systeem vervangen door een regionaal gerichte organisatie. Het land werd verdeeld in 36 regio's met in iedere regio één Kamer. Niet meer op initiatief van de gemeenteraad maar bij wet werden de nieuwe Kamers ingesteld. De Kamers bleven adviesinstanties voor de overheid, maar hun belangrijkste taak kwam nu te liggen op het uitvoerende, begeleidende en voorlichtende vlak. Aanvankelijk was het opzetten en bijhouden van het handelsregister (zie hierna) waarin alle ondernemingen worden ingeschreven, hun enige uitvoerende taak. Elke kamer hield en houdt dit bij voor haar eigen regio. De Kamers kregen ook de bevoegdheid instellingen ten dienste van handel en nijverheid op te richten zoals handelsbeurzen en onderwijsinstellingen. In de loop der jaren delegeerde de overheid steeds meer overheidstaken aan de Kamers, bijvoorbeeld op het gebied van de handelsnamenwet, de winkelsluitingswet, het vestigingsbeleid en het horecawezen.
Het aantal kamers werd in 1942, ten tijde van de Duitse bezetting, verminderd tot elf, één per provincie. De overige bestaande Kamers werden hieraan ondergeschikte kantoren. Op 1 januari 1951 werd deze regeling teruggedraaid zodat er weer 36 volwaardige Kamers waren.
De Kamer van Koophandel Amersfoort werd bij Koninklijk Besluit van 4 juli 1842 opgericht en door de gouverneur van Utrecht op 18 augustus 1842 geïnstalleerd. Tot president werd M. Lagerweij, koopman in granen, benoemd. Bezoldigd secretaris werd mr. A.G. Wijers, advocaat te Amersfoort.
De armoede was in die jaren groot in Amersfoort en pas in de jaren zeventig van de negentiende eeuw begon de bedrijvigheid te groeien, mede veroorzaakt door de totstandkoming van de Oosterspoorweg, die Amersfoort verbond met Amsterdam en Zutphen.
Tegelijkertijd met de nieuwe wet op de Kamers van Koophandel trad ook de Handelsregisterwet in 1922 in werking. Ook in Amersfoort werd er een handelsregister ingevoerd, waar kort na de oprichting 1578 ondernemingen waren ingeschreven. De regio-indeling werd ook sterk gewijzigd en de Amersfoortse Kamer van Koophandel kreeg als naam “Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de Gelderse Vallei”. Het verzorgingsgebied bestond uit 24 gemeenten, te weten Amerongen, Amersfoort, Barneveld, Doorn, Driebergen, Ede, Ermelo, Harderwijk, Hoevelaken, Hoogland, Langbroek, Leersum, Leusden, Maarn, Nijkerk, Putten, Renswoude, Rhenen, Rijsenburg, Scherpenzeel, Soest, Stoutenburg, Veenendaal en Woudenberg. De drie bestaande Kamers van Koophandel van Amersfoort, Harderwijk en Nijkerk werden opgeheven.
In 1942 werd door de Duitse bezetter de indeling van de Kamers van Koophandel gereorganiseerd. De 36 sociaal-economische districten werden vervangen door de 11 provincies, waardoor er 11 kantoren kwamen in de provinciehoofdsteden. De overige kantoren werden getransformeerd tot bijkantoren. Het kantoor Amersfoort werd daardoor een bijkantoor van de Kamer van Koophandel Utrecht. Het grootste deel van de gemeenten die deel uitmaakten van het oorspronkelijke kantoor “Gelderse Vallei” vielen nu onder het kantoor Arnhem. In het laatste oorlogsjaar lag het werk van de Kamers van Koophandel nagenoeg stil als gevolg van de totale ineenstorting van de economie in de hongerwinter.
Na de bevrijding bleef de uit 1942 daterende indeling nog enige tijd bestaan. Eerst in 1951 trad een nieuwe wet op de Kamers van Koophandel in werking, waarbij opnieuw 36 kamers werden ingesteld, zij het met een wat andere, meer provinciaal gerichte gebiedsindeling dan van voor de oorlog.
Vanaf deze nieuwe wet was er geen sprake meer van de Kamer van Koophandel voor de Gelderse Vallei, maar van de Kamer van Koophandel Amersfoort en omstreken. Vanaf 1976 werd het de Kamer van Koophandel voor Eemland (Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Renswoude, Soest en Woudenberg).
Samengevat omvatte het verzorgingsgebied:
1842-1922 (Kamer van Koophandel en Fabrieken Amersfoort):
de stad Amersfoort;
1922-1942 (Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de Geldersche Vallei):
Amerongen, Amersfoort, Barneveld, Doorn, Driebergen, Ede, Ermelo, Harderwijk, Hoevelaken, Hoogland, Langbroek, Leersum, Leusden, Maarn, Nijkerk, Putten, Renswoude, Rhenen, Rijsenburg, Scherpenzeel, Soest, Stoutenburg, Veenendaal en Woudenberg;
1942-1951 (Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht, (bij)kantoor Amersfoort):
provincie Utrecht;
1951-1976 (Kamer van Koophandel voor Amersfoort en omgeving):
Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Hoogland, Leusden, Renswoude en Stoutenburg;
vanaf 1976 (Kamer van Koophandel Eemland):
Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Hoogland, Leusden, Renswoude, Soest en Woudenberg.
Archief
Addendum
Literatuur
Erfgoedstuk

Kenmerken

Datering:
1842-1983
Toegangstitel:
Inventaris van het archief van de Kamer van Koophandel te Amersfoort 1842-1983 (1992)
Auteur:
G.J. Röhner
Datering toegang:
2007
Datering bewerking:
2020
Openbaarheid:
Geheel openbaar
Rechtstitel:
Overbrenging van een overheidsarchief
Omvang:
27,0 m zuurvrije dozen