Archieven Het Utrechts Archief Het Utrechts Archief

Uw zoekacties: Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905
x34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

beacon
 
 
Inleiding
Woord vooraf
De notarissen en hun archieven
34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905
Inleiding
De notarissen en hun archieven
Het publiek notariaat, afkomstig uit het Longobardische Italië, had reeds een lange ontwikkelingsgeschiedenis achter de rug, toen het in de laatste dekade van de 13e eeuw zijn intrede deed in het diocees Utrecht. Op 7 augustus 1291 machtigde paus Nicolaas IV de Utrechtse bisschop Jan van Sierck om vier openbare notarissen aan te stellen en dergelijke incidentele machtigingen zullen zich in het eerste kwart van de 14e eeuw herhalen. Daarna vinden zij niet meer plaats en kan de bisschop blijkbaar vrij notarissen approberen. Hoewel de notarissen niet altijd konsekwent zijn in de vermelding van hun titulatuur, mogen wij aannemen dat zij in de late 13e en 14e eeuw zowel een keizerlijke als een pauselijke aanstelling bezitten. Ook al verspreiden zij zich over het gehele diocees, Utrecht blijft lange tijd het grootste aantal notarissen herbergen, omdat zij daar hun voornaamste klantenkring vinden: de bisschop en de bisschoppelijke organen: het officialaat in de eerste plaats, de grote kapittels en andere kerkelijke instanties en ook al vroeg het Utrechtse stadsbestuur. Waarschijnlijk kan men pas tegen het midden van de 14e eeuw spreken over vaste dienstverbanden tussen notaris en de diverse Utrechtse instellingen, dienstverbanden, die overigens niet uitsluiten dat de betrokken notarissen daarnaast hun ambt blijven uitoefenen als vrij beroep. In de late 14e, 15e en 16e eeuw staan vele notarissen in een dienstbetrekking tot het officialaat, een kapittel of het stadsbestuur en treden zij daarnaast op als publiek notaris. Vele anderen hebben geen vaste relatie met een instelling-al kunnen zij daarvoor als losse krachten wel tijdelijk werk verrichten-en zien hun ambt als een vrij beroep, hetzij, hun hoofdberoep, hetzij als kannunik, vikaris of bekleder van een ander kerkelijk ambt, een nevenberoep.
Van de Utrechtse notarissen, die uitsluitend werkzaam waren in het vrije beroep zijn geen archivalia vóór de tweede helft van de 16e eeuw bewaard gebleven, met uitzondering van de grossen van akten, die aan de kliënten ter hand werden gesteld en in alle mogelijke archieven kunnen worden aangetroffen. Van de notarissen, die in een vast dienstverband stonden van een instelling, zijn sinds de eerste helft van de 14e eeuw ook archivalia bewaard, die naar hun aard bestemd waren in het archief van de betreffende instelling te blijven berusten. Omdat de notarissen zelf geen onderscheid maakten tussen stukken, opgemaakt in dienstverband of in het vrije beroep, is daardoor ook een gedeelte van de schriftelijke neerslag van hun werkzaamheid als openbaar notaris tot ons gekomen. Men zou theoretisch kunnen stellen dat deze stukken niet in het archief van de instelling, waarbij de notaris in dienst was, thuishoren, maar in vele gevallen is het praktisch onmogelijk om ze er uit te verwijderen, omdat zich in een zelfde materiële eenheid, hetzij een band of een deel, zowel akten bevinden, die zijn opgemaakt als notaris in dienstverband als openbaar notaris. De notariële archivalia, die zich in archieven van Utrechtse instellingen bevinden, zijn in deze inventaris nummerloos opgenomen, doch slechts voor zover zij de werkzaamheden van openbaar notaris betreffen of wanneer zij een gemengd karakter hebben zoals formulierboeken. Niet vermeld zijn nagelaten stukken van notarissen, die zuiver in hoedanigheid van gerechtsschrijver, stadsschrijver, kapittelsekretaris of kapittelnotaris zijn opgemaakt. Overigens kan men konstateren dat, zeker in de 14e en 15e eeuw, ook de klandizie van de openbare notaris voor een groot gedeelte uit geestelijken bestond.
Het Habsburgse bestuur in de Nederlanden, dat de administratie en de rechtsbedeling in zovele opzichten opnieuw en beter regelde, heeft ook het notariaat hervormd. In navolging van de in 1512 voor Duitsland uitgevaardigde Reichsnotariatsordnung verschenen in de Nederlanden de plakkaten van 1531 en 1540. In artikel 4 van het plakkaat van 7 oktober 1531 werd bepaald dat voortaan niemand tot het uitoefenen van het notariaat zou worden toegelaten, dan na een door het provinciaal Hof ingesteld onderzoek naar zijn geschiktheid. Een andere belangrijke maatregel werd vastgelegd in het 13e artikel van het plakkaat van 4 oktober 1540. De notarissen waren gehouden te maken goet en rechtveerdig register ende prothocolle --- ende 't zelve wel bewaren. Maar deze regeling was toch nog onvoldoende, vooral nadat de Opstand een geheel nieuwe toestand had geschapen. In de verschillende gewesten werd het notariaat op het einde van de 16e of in het begin van de 17e eeuw nader geregeld. In Utrecht geschiede dit bij plakkaat van 22 januari, 1606. Deze ordonnantie is in de loop der jaren verder uitgebreid door resoluties van de Staten en het Hof van Utrecht. Op 1 november 1769 is de ordonnantie op het notarisambt opnieuw vastgesteld als een herhaling van die van 1606, maar aangevuld door de resoluties, die na, 1606 waren uitgevaardigd. Men kan stellen, dat de ordonnantie van 1606 van kracht is geweest tot aan de inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk.
Tijdens de Republiek was er geen sprake van een benoeming tot notaris, maar van een vergunning om het notariaat uit te oefenen. Na de afzwering van Philips II als landsheer trokken de Staten de verlening van vergunningen, die vroeger geschiedde door de paus, keizer of hun gedelegeerden, aan zich. Zij bepaalden, dat het aan niemand dan aan hen geoorloofd was enige notarissen te kreëren. Alle notarissen, die op het moment van de afkondiging van de ordonnantie van 1606 funktioneerden, moesten de eed van trouw aan de Staten van Utrecht afleggen en waren daardoor ontslagen van hun eed aan Rome. De aspirantnotaris wendde zich in een verzoekschrift tot de Staten van Utrecht of hun gedeputeerden om toelating. Op het verkrijgen van de akte van kreatie volgde het examen en de admissie door het Hof van Utrecht. Voor de uitoefening van het notarisambt waren dus nodig een akte van kreatie en een akte van admissie. Later kwam daar nog een akte van konsent van de plaatselijke overheid bij. De notaris was bevoegd in het gebied waarover de Staten gezag uitoefenden. In het verlenen van vergunning tot de uitoefening van het notarisambt kwam nauwelijks wijziging tot bij koninklijk dekreet van 25 mei 1807 nr. 28 werd bepaald, dat alle notarissen in het koninkrijk Holland in het vervolg op voordracht van de minister van justitie door de koning benoemd zouden worden.
De overheid streefde naar een goed funktionerend notariaat. Men kon alleen beschikken over goede notarissen wanneer hun een redelijk bestaan werd geboden, hetgeen onder andere bereikt kon worden door het aantal te beperken. De Staten besloten op 20 februari 1685 om het aantal notarissen, op dat moment te Utrecht bestaande uit 64 personen, door uitsterven terug te brengen tot 30, te Amersfoort op gelijke wijze van 14 tot 8, te Rhenen, Wijk bij Duurstede en Montfoort het aantal te handhaven op elk 3, en verder op het platteland de situatie te stabiliseren: in de proosdij van S. Jan 6, in Eemland en de hoge heerlijkheid van Soest, te Demmerik 2, te Amerongen, Breukelen, Nederhorst den Berg, Kortehoef, Vreeswijk en Werkhoven elk 1 notaris. Sedert 1606 werd door het Hof van Utrecht een register bijgehouden van het afleggen van de eed door notarissen.
De notaris maakte de concepten ofte minuten, die de partijen ondertekenden. Een enkele maal werden deze mede ondertekend door de notaris. Door middel van een lias werden de minuten bij elkaar gehouden en eventueel op een later tijdstip ingebonden. Naast deze liassen hield de notaris een protokol bij waarin de minuten achtereenvolgens werden afgeschreven en door de notaris alleen gewaarmerkt. Een enkele maal wordt in de afgeschreven akte verwezen naar die minute, die afzonderlijk bewaard werd, om daertoe recours te hebben, des noots sijnde. Op het einde van de 16e eeuw zien we de situatie veranderen. De notaris registreert (zijn akten) anstonts in het protokol. De procedure wordt dus vereenvoudigd. De minuut wordt direkt ingeschreven in het protokol en ondertekend door de notaris en partijen. De lias komt hiermee te vervallen. De notaris moest aan deze nieuwe werkwijze wennen. Verscheidene malen vergat hij zijn protokol mee te nemen. Volgens ouder gewoonte schreef hij de eerste redaktie op een los vel papier. Aan het einde van elk deel van zijn protokol verzamelde hij later de afschriften van deze akten in een appendix. De afschriften werden weer alleen gewaarmerkt door de notaris. Dit nieuwe systeem werd bevestigd door de ordonnantie van 1606. In het 12e artikel wordt gesteld: dat al bij ordine ende son-der confusie, soo die voor hem gestipuleert ende gepasseert sullen worden, in welck register hij oock elcke testament, acte ofte contracte gehouden sal wesen te onderteykenen, ende bij de contrahenten ende stipulanten midsgaders den getuygen, doen onderteykenen ofte marqueren.
Sedert de ordonnantie van 1606 hield dus de notaris een protokol, waarin de voor hem gepasseerde akten werden opgenomen, ondertekend door hemzelf en de partijen. Dit protokol had gewoonlijk de vorm van een deel, enkele malen van een lias. Sommige notarissen verdeelden hun protokollen in verschillende series b.v. een van testamenten, een van huurcedullen en een van allerhande andere notariële akten. Maar niet alle akten, die voor de notaris waren verleden, kwamen in het protokol voor. In het 11e artikel van de ordonnantie van 1606 staat, dat hij in zijn protokol moest opnemen alle testamenten die in forme van acte notariaal voor hem gepasseert sullen worden. Naast zijn protokol vormde bijna iedere notaris een serie onderhands opgemaakte akten, die niet notariaal waren en die hij apart bewaarde, geregen aan een liaspen. Voor enkele soorten akten was opmaak in notariële vorm noodzakelijk. Voor andere gold echter de wens van de partijen. Huwelijkse voorwaarden werden b.v. vaak onderhands gepasseerd. De grens tussen notariële en onderhandse akten werd op den duur steeds vager. Aan de lias van de niet-notariële akten werden soms ook notariële akten geregen. Bovendien werden er nu en dan onderhandse akten in de protokollen opgenomen. Nog onzekerder werd de grenslijn, toen het bij sommige notarissen gewoonte werd om ook het protokol uit losse akten te doen bestaan. Deze gewoonte werd regel sedert de publikatie van 2 januari 1730 van de Staten van Utrecht, waarbij voorgeschreven werd om elke minuut van de notariële akte van een zegel te voorzien. Sinds die tijd schijnt elke notaris in de regel slechts een serie losse gezegelde akten bijeengebracht te hebben, die hij zelf met partijen en getuigen ondertekende.
In de loop van de tijd heeft de bewijskracht zich verplaatst. Het protokol was in de middeleeuwen een kladboek met konsepten. Alleen de door de notaris gewaarmerkte grosse had bewijskracht. In de 16e eeuw nam de waarde van de door partijen ondertekende minuut toe. Bovendien ging de notaris een register met afschriften aanleggen. Dit register ontleende zijn bewijskracht aan de ondertekening van de notaris. In geval van nood kon het worden geraadpleegd. Voor de zekerheid liet de notaris de minuut van de akte, die hij in het protokol afschreef, ondertekenen door partijen. Hij bewaarde deze aan een lias tot zijn decharge. De grossen werden slechts voorzien van de handtekening van de notaris en het zwaartepunt verschoof van de grosse naar de minuut. Deze gang van zaken werd bekrachtigd in de publikatie van 1730. Hierin bepaalden de Staten van Utrecht, dat ter voorkoming van fraude niet meer de afgegeven grossen, maar de originele actens ende instrumenten, die gepasseert ende ter registere of protocolle werden gebragt, gezegeld moesten worden.
Een van de hoofdmotieven voor de invoering van de ordonnantie van 1606 vormde de conservatie van de registeren ofte protocollen der notarissen omme daartoe des nood, acces ende openinge van te hebben. De bescheiden van overleden stedelijke notarissen moesten binnen het jaar overgebracht worden naar de stads-sekretarie, die van de plattelandsnotarissen naar de griffie van het Hof van Utrecht. Vrijstelling van de verplichting tot overbrenging was mogelijk voor de nabloedverwanten, die zelf notaris waren en aan wie de protokollen waren vermaakt. Deze konden er gedurende hun leven over beschikken tegen afgifte van een ontvangstbewijs. De overbrenging der protokollen blijft een belangrijk punt.
In de ordonnantie van 1 november 1769 worden de bepalingen verder uitgebreid. Zo moeten de protokollen van overleden notarissen behoorlijk ingebonden en voorzien van een inventaris van het aantal delen met een alfabetisch register op de akten, ingeleverd worden. Ieder deel moet binnen 24 uur na bekomen kennis van het overlijden van de notaris gerechtelijk worden verzegeld en binnen 14 dagen worden overgebracht. Van de in de 17e eeuw beëdigde notarissen zijn 47% van de protokollen bewaard gebleven, van de in de 18e eeuw beëdigden is dit percentage 82. Gespecificeerd per halve eeuw loopt het percentage op van 35% in de eerste via 56% in de tweede helft van de 17e eeuw naar ruim 80% in de 18e eeuw. Ingevolge de inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk werd op 1 januari 1811 de Franse wet op het notarisambt van 25 Ventose an XI van kracht. Artikel 1 van deze wet geeft een definitie van de notaris: Les notaires sont les fonctionnaires publics établis pour recevoir tous les actes et contracts, auxquels les partles dolvent ou veulent faire donner le caractère d'authenticité attaché aux actes de l'autorité publique, et pour assurer les dates, en conserver le depot, en délivrer les grosses et expéditions.
De notarissen werden krachtens artikel 5 verdeeld in drie klassen:
1e de notarissen in plaatsen, waar een Hof van appèl was gevestigd.
2e de notarissen in plaatsen, waar een rechtbank van eerste aanleg was gevestigd, en
3e de notarissen in andere plaatsen.
De onder 1 en 2 genoemde notarissen mochten funktioneren in het gehele gebied der betreffende rechtbanken en de onder 3 genoemde in het ressort van de vrederechter, waartoe hun standplaats behoorde.
De Franse wetgeving bleef van kracht tot 1842, in welk jaar de wet op het notarisambt van 9 juli 1842 S 20 bij besluit van 20 september 1842 S 24 met ingang van 16 oktober 1842 in werking werd gesteld. De wet van 1842 bouwde voort op de Franse wetgeving. De klassenindeling werd afgeschaft en alle notarissen werden arrondissementsnotarissen. De notarissen werden gedefinieerd als openbare ambtenaren, uitsluitend bevoegd om authentieke akten te. verlijden wegens alle handelingen, overeenkomsten en beschikkingen, waarvan de wet gebiedt of de belanghebbende verlangen, dat bij authentiek geschrift blijken zal; daarvan de dagtekening te verzekeren; de akten in bewaring te houden en daarvan grossen, afschriften en uittreksels uit te geven; alles voor zover het verlijden dier akten door de wet niet ook aan andere ambtenaren opgedragen of aan dezelve geheel voorbehouden is. Een latere wijziging bij de wet van 30 december 1904 gaf voor het eerst de mogelijkheid om kandidaat-notarissen aan te stellen. Onder de wet van 25 Ventôse an XI was het toezicht over de notarissen opgedragen aan Kamers van Notarissen, samengesteld uitsluitend uit ambtgenoten.
De voornaamste, zo niet de enige bezigheid bestond uit het afnemen van examens van aspirant-notarissen. Die kamers hebben zo weinig aan haar doel beantwoord, dat de regering in de memorie van toelichting op het onderwerp van wet, dat later de wet van 1842 geworden is, moest verklaren dat ze zelfs verregaande misbruiken niet hadden kunnen tegengaan. De grote fout, waardoor die kamers niet aan haar doel beantwoordden, was gelegen in haar organisatie. Bestaande uit notarissen, gekozen door hun kollega's, zat nu eens "kameradie", dan weer "ijverzucht" voor. De wet van 1842 schafte de kamers af en droeg de zorg op aan de officieren van justitie. Ook na de verscherpingen in 1878 van de bepalingen omtrent het toezicht, beantwoordde dit toezicht evenmin aan de verwachtingen. Bij de wet van 1904 werd het toezicht geheel nieuw geregeld en opgedragen aan Kamers van Toezicht,die ook thans nog funktioneren. Een kamer bestaat uit vijf leden. Het voorzitterschap wordt waargenomen door de president van de arrondissementsrechtbank. De griffier staat de Kamer als sekretaris ter zijde en is bewaarder van het archief. De minister van justitie benoemt twee leden en de overige twee leden de notarissen. Het toezicht op het beheer, de overname en de overbrenging der notarisprotokollen kwam aan deze kamer, en tevens kreeg zij het toezicht over de algemene bewaarplaats van de notarisarchieven, waarvoor de kamer voortaan een notaris als bewaarder aanwees.
De Franse wet van 22 Frimaire an VII verplichtte de notarissen een repertoire aan te houden, waarin zij dag voor dag onder doorlopende nummers alle door hen verleden akten inschreven. In het repertoire vinden we zowel de minuten als de brevetakten. In uitzonderlijke gevallen staat n.l. de wet toe dat authentieke schriftelijke bewijsstukken worden opgemaakt om te worden uitgereikt aan belanghebbenden: die kategorie akten wordt brevetakten of originali-akten genoemd. Een dubbel van het repertoire moest jaarlijks bij de arrondissementsrechtbank worden gedeponeerd. Verder legden de notarissen na 1811 zonodig registers van wisselprotesten aan in overeenstemming met de Code de Commerce.
Krachtens de wet op het notarisambt van 1842, is een nieuw benoemde notaris verplicht de minuten, registers en repertoires van zijn voorganger, voor zover zij ouder zijn dan 30 jaar, over te brengen naar de in elk arrondissement bestaande algemene notariële bewaarplaats. Voorts kan iedere notaris met machtiging van de Kamer van Toezicht zijn eigen minuten enz. die ouder zijn dan 30 jaar, naar die bewaarplaats overbrengen. Door wetswijziging van 30 december 1904 werd bij artikel 69a bepaald dat de notariële archieven, die van voor de invoering van de Franse wetgeving dateerden, naar de rijksarchiefbewaarplaatsen moesten worden overgebracht. Bovendien kon volgens dit artikel op 16 oktober 1917, dat wil zeggen 75 jaar na het van kracht worden van de wet op het notarisambt van 9 juli 1842, de overbrenging worden bevolen van de archieven uit de periode 1811-1842, en van de archieven van de voormalige Kamers van Notarissen. Eerstgenoemde overbrenging werd geregeld bij het op 1 april 1912 S. 237 gewijzigde Koninklijk Besluit van 23 augustus 1907 en laatstgenoemde overbrenging bij het op 15 april 1929 S. 161 gewijzigde Koninklijk Besluit van 28 augustus 1919. Bij ministeriële beschikking van 20 oktober 1969 Sc. 240 werd de overbrenging bepaald van de notariële archieven uit de periode 1843-1895. De notariële archieven van in de stad Utrecht geresideerd hebbende notarissen zijn in bewaring gegeven aan het gemeentelijk archief van Utrecht.
De inventarisatie
Bewerkingsgeschiedenis
Addendum
Inventaris
Bijlagen
1. Lijst van notarissen, die voor 1811 in Utrecht resideerden
2. Concordantie III
N.B. Concordantie op S. Muller Fz. en C.L. de Leur, Catalogus van het archief. Supplement, bijvoegselen en indices (Utrecht 1914)
Erfgoedstuk
3. Concordantie IV
N.B. Concordantie op A. le Cosquino de Bussy, Catalogus van de rechterlijke archieven (1811-1838) en van de notarieële archieven (1811-1842) (Den Haag 1929)
Erfgoedstuk
4. Concordantie op Inventaris van de notariële archieven in de provincie Utrecht (1346) 1560-1895 door W.B. Heins en J.A.C. Mathijssen uit 1982, in 1986 aangevuld met notariële archieven over 1896-1905
Erfgoedstuk
Erfgoedstuk
Kenmerken
Datering:
1560-1905
Toegangstitel:
Inventaris van de archieven van de notarissen in de stad Utrecht (1346) 1560-1905
Auteur:
W.B. Heins en J.A.C. Mathijssen
Datering toegang:
1982
Datering bewerking:
1986, 2010, 2019
Openbaarheid:
Volledig openbaar
Rechtstitel:
Overbrenging van een overheidsarchief
Omvang:
282 m boeken; 72 m zuurvrije dozen
Rubrieken:
Categorie:
Archiefvormer(s)::