Bibliotheek Het Utrechts Archief Het Utrechts Archief

1964 Verzameling handels- en reclamedrukwerk van winkels en bedrijven, instellingen en verenigingen in de stad en provincie Utrecht, bijeengebracht bij Het Utrechts Archief
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
Inleiding
Verzameling losse aanwinsten: Handels- en reclamedrukwerk van winkels en bedrijven, instellingen en verenigingen in stad en provincie Utrecht, bijeengebracht bij Het Utrechts Archief
Geschiedenis
N.B. De inleiding is grotendeels ontleend aan de inleiding bij de verzameling handels- en reclamedrukwerk van Utrechtse winkels en bedrijven, instellingen en verenigingen, bijeengebracht door Bernard Martens van Vliet, 1850-2010 (toegangsnr. 1854).
Utrecht
1964 Verzameling handels- en reclamedrukwerk van winkels en bedrijven, instellingen en verenigingen in de stad en provincie Utrecht, bijeengebracht bij Het Utrechts Archief
Inleiding
Verzameling losse aanwinsten: Handels- en reclamedrukwerk van winkels en bedrijven, instellingen en verenigingen in stad en provincie Utrecht, bijeengebracht bij Het Utrechts Archief
Utrecht
Na 1690 begon de stadseconomie eindelijk tekenen van herstel te vertonen, na de Franse inval in 1672, het Rampjaar. Dit herstel had twee redenen: de verbeterde situatie op het platteland en de aantrekkende handel met Holland, vooral met Amsterdam. De groeiende invoer maakte de ontwikkeling van een middenstand van winkeliers mogelijk. Hun aantal nam fors toe, terwijl er bovendien specialisaties ontstonden. Er kwamen winkels die zich toelegden op de verkoop van koffie en thee, tabak, sterke drank en-vooral voor de rijkere inwoners-galanterieën en 'Franse' modezaken. De vele markten in de stad echter vormden een zeer belangrijk verkooppunt voor het publiek. Daarnaast bestonden er vele aan het gildewezen gelieerde bedrijven zoals smederijen, ververijen, schoenmakerijen e.d. Dat waren vooral zaken waar winkel en bedrijf in één pand verenigd waren. Bovendien kende Utrecht als universiteitsstad opvallend veel boekhandels, uitgeverijtjes en drukkerijen.
Toen koning Lodewijk Napoleon in de loop van 1807 vanwege zijn gezondheid zijn residentie van Den Haag naar Utrecht verplaatste (Utrecht was even hoofdstad van het land!), volgden niet alleen de ministeries, maar ook tal van Haagse winkeliers de koning, om, zoals tijdgenoot Hendrik Keetell schreef: het voordeel, dat zij gewoon waren door hunne leverantieën van het Hof te genieten, of omdat zij door het zozeer floreren van onze stad zig daaruit eenig voordeel voorspelden. Zo woonden bijvoorbeeld de leverantier van de koninglijke ridderorderteekenen op het oude Kerkhof, de coiffeur der dames op de Gansemarkt en de Hoedenleverancier op de Neude. Maar zij moesten al binnen een half jaar hun boeltje pakken, omdat de grillige koning met zijn gevolg naar Amsterdam was vertrokken, dat werd toen de hoofdstad. Enkele winkeliers zijn echter in Utrecht gebleven en bouwden een bloeiende nering op.
Na 1850 veranderde het straatbeeld in de stad volledig. Overal verschenen fabrieken en fabriekjes met hoge schoorstenen. Stoom was het toverwoord. Bedrijven gebruikten de woorden 'stoom' en 'Utrecht' als aanbeveling in hun advertenties en beeldmerken, bijvoorbeeld: de Utrechtsche Stoommosterdfabriek A. van Rijn, de Utrechtsche Stoomgrofsmederij P.H. Hörmann, de Utrechtsche Stoomlijstenfabriek C.M. Schoonheim, de Utrechtsche Stoomfineerzagerij & Houthandel A.E. de Kivit, de Utrechtsche Stoomkoffiebranderij & Tabakskerverij Ribbius Peletier en vele andere. De stoommachines die in de bedrijven in gebruik waren, hadden overigens vaak maar een zeer geringe capaciteit.
Producten konden voortaan op grote schaal machinaal en hygiënisch geproduceerd worden. 'Losse' producten, zoals suiker, boter, mosterd, koffie en grutterswaren maakten plaats voor verpakte waren, die herkenbaar in de winkels moesten liggen. Het in de loop der tijd verbeterde drukproces bood fabrikanten de gelegenheid hun naam en beeldmerk op verpakkingen, zoals blik, te zetten. De betekenis en de omvang van het adverteren namen enorm toe.
In de loop van de 19e eeuw was de specialisatie in het winkelbedrijf allengs verder toegenomen. Smederijen bijvoorbeeld werden huishoudelijke zaken: ze verkochten de eerste fietsen, organiseerden de eerste fietslessen, verkochten de eerste gaslampen enz. Van hieruit ontstonden dan weer de gespecialiseerde fietswinkels, de verlichtingszaken, de rijscholen enz. Vooral in de binnenstad openden meer en meer luxe winkels in fraaie stadspanden hun deuren: banketbakkerijen, winkels in comestibles en koloniale waren en modezaken die veelal nog in het Frans adverteerden!
In 1839 opende het eerste warenhuis in Utrecht: de Winkel van Sinkel aan de Oudegracht bij het Stadhuis. Sinkel prees zijn waren aan in fraai geïllustreerde boekjes en op reclamebiljetten. Veel later volgden Magazijn de Zon (1889), vanaf 1905 Vroom en Dreesmann op de Stadhuisbrug en de Grand Bazar Français (1901), in 1921 opgevolgd door de Galeries Modernes, op de hoek van de Oudegracht en de Lange Viestraat. Veel bekende modemagazijnen openden filialen in de stad, zoals Lampe, Gerzon, Peek en Cloppenburg, Kreymborg, De Stad Parijs en Vinke. In de stad zelf opende meelfabriek De Korenschoof in 1885 aan de Kaatstraat een industriële brood- en later ook banketbakkerij. De producten werden verkocht via de broodslijters met hun handkarren, maar in de loop der tijd ook via de tientallen eigen winkels en depots in alle wijken van de stad, die allemaal dezelfde reclame voerden voor Korenschoof-brood of -banket. Het bedrijf had een eigen reclameafdeling met ruim budget. In het archief van de Korenschoof (HUA toegangsnr. 715-3) bevindt zich een uitgebreide collectie reclame- en verpakkingsmateriaal. In 1938 sloot De Korenschoof haar bakkerij, een deel van de winkels en depots ging over naar de LUBRO, die eveneens flinke bedragen uittrok voor het maken van professionele reclame voor z'n producten.
De verkoop aan particulieren op de markten nam gestaag af en het aantal kleine winkels, meestal eenmanszaakjes, groeide sterk. Daar werd vaak 'op de pof' gekocht, dus was het bestaan als kleine winkelier nogal onzeker. Uit een telling in 1930 bleek dat de stad Utrecht ruim 3300, meest kleine, bedrijven, vooral in de voedingssector kende, die het steeds moeilijker kregen omdat het 'grootbedrijf' aan de lopende band vestigingen opende. Al in 1896 opende de firma De Gruyter uit Den Bosch haar eerste filiaal aan het Vredenburg onder de naam 'Stichtsche Gruttershandel', snel gevolgd door filialen aan de Biltstraat en de Twijnstraat. Later volgden de andere 'grootgrutters' als Albert Heyn en Simon de Wit. Dit waren allemaal bedrijven met grote reclamebudgetten, met als gevolg dat in de krantenkolommen hun advertenties de boventoon voerden. In de crisistijd legden veel kleine bedrijven het loodje.
Vanouds vormden straten als de Oudegracht, de Lijnmarkt-Choorstraat, Steenweg, Oudkerkhof en de Zadelstraat dé winkelstraten in het centrum. Het winkelgebied waaierde verder uit richting Neude, Potterstraat, Lange Viestraat en Vredenburg. In het zuiden van de binnenstad was de Twijnstraat vanouds dé winkelstraat. Buiten de Tolsteeg ontwikkelden zich de Gansstraat en de Westerkade tot bekende winkelstraten. In het oosten van de stad werden dat de Biltstraat en de Nachtegaalstraat met in het verlengde daarvan de Burg. Reigerstraat. In het westen liepen door de wijken Lombok en Transvaal de Kanaalstraat en de Laan van Nieuw Guinea, met een zeer uitgebreid winkelaanbod.
Bij de vooroorlogse stadsuitbreidingen werd er steevast rekening gehouden met de komst van nieuwe winkels. In meeste huizenblokken werd aan het begin en het einde van zo'n blok een winkelpand geprojecteerd: de beroemde 'winkel op de hoek'. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de nadruk bij nieuwbouw te liggen op de concentratie van het winkelaanbod in winkelcentra, met als hoogtepunt (of voor sommigen dieptepunt) het winkelcentrum Hoog Catharijne ('het winkelhart van Nederland') dat in 1973 officieel door koningin Beatrix werd geopend.
Geen wonder dat met al deze ontwikkelingen het aanbod van reclame explosief steeg.
Handels- en reclamedrukwerk
Verzameling en inventarisatie
Literatuur -
Erfgoedstuk

Kenmerken

Datering:
1800-2020
Toegangstitel:
Inventaris van de verzameling handels- en reclamedrukwerk van winkels en bedrijven, instellingen en verenigingen in de stad en provincie Utrecht, bijeengebracht bij Het Utrechts Archief 1800-2020
Auteur:
D.C. Goosen
Datering toegang:
2021
Openbaarheid:
Volledig openbaar
Rechtstitel:
Schenking (van een niet overheidsarchief)
Omvang:
1 m
Rubrieken:
Categorie: