Korte geschiedenis van 900 jaar stadsbestuur

Stad en stadsvrijheid
In 1122 kreeg het grondgebied van het huidige Utrecht binnen de singels stadsrechten. Daarmee werd de kiem gelegd voor een eigen bestuur, los van het omliggende platteland. In de eeuwen daarna bestond dit bestuur uit de bisschoppelijke schout, de schepenen, de burgemeesters en de Raad, ieder met hun eigen verantwoordelijkheden, die overigens niet scherp van elkaar waren gescheiden. Van een gemeentelijk apparaat was nauwelijks sprake. Vaste ambtenaren waren de stadssecretaris en de kameraars (vergelijkbaar met de latere gemeenteontvanger en directeur Openbare Werken), ondersteund door enkele klerken en boden. De tientallen werk- en sjouwerlieden hadden toen nog niet de status van ambtenaar en werden per klus betaald. Vanaf 1304 speelden de gilden een belangrijke rol bij de jaarlijkse benoeming van de bestuurders, terwijl de macht van de bisschop taande. In feite gedroeg de stad zich als een soevereine staat. Buiten de muren van de stad lag de zogenoemde stadsvrijheid met een stuk of vijftien ambachtsheerlijkheden, die onderhorig waren aan het stadsbestuur. In 1528 werd de bisschop als landsheer van het Nedersticht vervangen door keizer Karel V en werd Utrecht een deel van het Habsburgse rijk. Het was gedaan met de stedelijke zelfstandigheid en met de macht van de gilden. Een stadhouder en het nieuwe Hof van Utrecht hielden stad en provincie zo nodig met de sterke arm in het gareel. Na het vertrek van de Spanjaarden werd het Sticht in 1588 een van de soevereine gewesten in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het gezag hierin berustte bij de Staten, bestaande uit vertegenwoordigers van drie leden: de Geëligeerde raden (door de twee andere leden gekozen uit de kanunniken, de bestuurders van de vijf geprotestantiseerde kapittelkerken en hun rijke bezit aan onroerend goed), de Ridderschap en de Steden. In het laatste lid overheerste Utrecht de vier andere steden. De stad zelf werd sinds 1618 bestuurd door een vroedschap bestaande uit 40 personen, die na 1650 uitsluitend afkomstig waren uit patricische families. De lage en de hoge jurisdictie werden uitgeoefend door de twaalf schepenen op basis van de eigen stedelijke rechtsregels. Via de Staten was de stad ook vertegenwoordigd in de Staten-Generaal en in de vroedschap werd dan ook regelmatig over oorlog en vrede gesproken. Tot 1674 werden de vroedschapsleden voor het leven benoemd door de stadhouder, daarna konden ze ieder jaar worden ‘verlaten’. Maar meestal liep het zo’n vaart niet en zeker niet tussen 1702 en 1747, de jaren van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk. Met moeite sleepte de Republiek zich naar haar einde in 1795, toen de Franse troepen met in hun kielzog de gevluchte anti-stadhouderlijke patriotten een ‘fluwelen’ revolutie tot stand brachten. Ook de Utrechtse vroedschap werd afgezet en gedurende de Bataafs-Franse tijd wisselden verschillende typen stadsbestuur elkaar af. Door de invoering van de eenheidsstaat in 1798 was het met de provinciale soevereiniteit en als uitvloeisel daarvan ook met de stedelijke autonomie gedaan. Van 1811-1813 was zelfs de provincie Utrecht van de kaart verdwenen en onderdeel geworden van het nieuwe departement van de Zuiderzee met Amsterdam als hoofdstad.

Gemeente
Tot de Franse tijd hadden de gemeenten voornamelijk taken op juridisch, administratief en politioneel terrein. Dit veranderde daarna maar langzaam. De ontwikkeling van de gemeentelijke taken verliep in een viertal fasen, die als volgt kunnen worden samengevat: nachtwakersgemeente, met de nadruk op taken als politie, onderwijs en armenzorg (-1870); gemeente als voortrekker, met de nadruk op gezondheid, wonen, werken en het schoonhouden van de fysieke leefomgeving (1870-1914); toenemend medebewind, met de nadruk op de economische rol van de gemeente (1914-1940), en de welzijnsgemeente, met de nadruk op de sociale rol van de gemeente (1945-, onder te verdelen in 1945-1955: wederopbouw en herstel; 1955-1965: welvaartsstaat; 1965-: verzorgingsstaat). Onder medebewind verstaat men het inschakelen van de lagere overheden bij de uitvoering van wetten en algemene maatregelen van bestuur. Dit begon met de Woningwet van 1901. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw ging de gemeente schoorvoetend een zelfstandige rol spelen op sociaal-economisch terrein: volksgezondheid, aanleg van gas, waterleiding en elektriciteit, werkloosheidsbestrijding en maatschappelijk werk. De gemeente Amsterdam vervulde hierbij nadrukkelijk een voortrekkersrol. De SDAP introduceerde in 1899 als eerste landelijke partij een politiek programma op gemeenteniveau. In de loop van de 20ste eeuw werden steeds meer gemeentelijke taken overgeheveld naar het Rijk, met name op sociaal-economisch terrein. Dit betekende een teruggang in autonome taakuitvoering, maar een toename van de medebewindstaken. In plaats hiervan werd de gemeente actief op terreinen als sport en bibliotheekwezen. In de jaren ’80 en ’90 van de 20ste eeuw begon de slinger weer de andere kant uit te slaan en kreeg de decentralisatiegedachte vat op het openbaar bestuur, bijvoorbeeld op terreinen als volkshuisvesting, sociale zekerheid en zorg en welzijn.

De periode 1870-1914 is wel de bloeitijd van het lokale bestuur genoemd. Het aandeel van de gemeentelijke uitgaven als percentage van de totale overheidsuitgaven steeg van 27% in 1870 tot 42% in 1910. In 1985 was dit teruggezakt tot 30%. Bij dit alles bleef de Gemeentewet van 1851, een van de grote organieke wetten van Thorbecke, het kader bepalen. In de loop der tijd is de wet meer dan 100 maal gewijzigd, zonder dat de fundamenten werden aangetast. Zo overleefde de wet ook de talloze mislukte pogingen vanaf de jaren ’60 van de 20ste eeuw om tot een vierde bestuurslaag te komen en het meer succesvolle fenomeen van de agglomeratiebesturen. Zo’n regio met een eigen bestuur ontstond ook hier, met als kern de gemeente Utrecht. Dit was een van de manieren om bestuurlijke problemen via schaalvergroting op te lossen. Andere waren gemeentelijke herindeling en de Wet Gemeenschappelijke Regelingen.


Doorzoek de archieven

De namen van de bestuurders uit de periode 1618-heden zijn nu te vinden in de doorzoekbare database met 'Functionarissen'. Binnenkort komen daar de bestuurders van voor 1618 bij.

Ga naar de archieven 


Personen door de tijd

In ontwikkeling - binnenkort meer

 


Stadsbestuur per periode 

Uitgebreide informatie per tijdsperiode over de ontwikkeling van het Utrechtse bestuur. 

 


 Over dit project 

Samengesteld in opdracht en met financiële ondersteuning van: de griffie van de Gemeenteraad van Utrecht.

Redactie: Kaj van Vliet (Het Utrechts Archief)
Met medewerking van: Benjamin van Hoorn, Anneke Jansen, Jellie van der Meulen, Sigrid de Grave, Tijn Pieren, Danielle Teeuwen en Charlotte Schuitemaker.

Inleiding:
Justine Smithuis (periode 1122-1618), Renger de Bruin (periode 1618-1813) en Arend Pietersma (periode 1813-heden).

Bronnen periode 1122-1618:
#volgt.

Bronnen periode 1618-1813:
Archief van het stadsbestuur, inv.nrs. 106-120, 3310, 3329; Collectie Historisch Werkmateriaal, inv.nrs. 260-262, 584-597; J. van de Water, Groot Plakkaatboek, deel III.

Bronnen periode 1813-heden:
Archief van het gemeentebestuur van Utrecht, 1813-1967, inv.nrs. 653-655 en 666; Stadsalmanakken; Adresboeken; gegevensbestand van de griffie van de Gemeenteraad Utrecht.

Teksten uit de Utrechtse Biografieën geplaatst met toestemming van de Vereniging Oud-Utrecht en de Stichting Publicaties Oud-Utrecht.